bouwwerken

Sint Dymphna’s Bossche zinnelozen

Als mensen vandaag de dag in mentale problemen komen, is er een vangnet van hulp. We kennen nu veel opties: ambulante zorg, gesprekken met psychologen, medicatie of opname in een psychiatrische instelling.

In de middeleeuwen zag die zorg er heel anders uit. Toch werd toen de basis gelegd voor de Nederlandse geestelijke gezondheidszorg die we nu kennen. Dit begon met het Bossche gesticht van Reinier van Arkel dat werd opgericht in 1442. Daar ontstond een manier van zorg die later werd overgenomen in andere Noord-Nederlandse steden, zoals Utrecht (1461) en Amsterdam (1562). Deze vroege aanpak ontwikkelde zich door de eeuwen heen tot de zorg die we nu kennen.

De betekenis van ‘zinnelozen’

De patiënten werden in het middeleeuwse gesticht Reinier van Arkel ‘zinnelozen’ genoemd. Dit was een term voor verschillende mentale aandoeningen of verstandelijke beperkingen. Het ging om mensen met gedrag dat niet paste bij de maatschappelijke normen van die tijd.

Het Bossche gesticht was uniek in zijn beginjaren en had ook invloed buiten de zorg. De schilder Hiëronymus Bosch (Jeroen Bosch) maakte werken met zinnelozen, zoals zijn schilderij Het narrenschip. Er wordt gedacht dat hij patiënten uit het gesticht gebruikte als modellen. Dit is moeilijk te bewijzen maar waarschijnlijk waren zij in ieder geval een inspiratiebron.

Schilderij 'het Narrenschip' van Jeroen BoschDe personages in en naast het schip zijn mogelijk geschilderd op basis van studies gedaan door Hiëronymus Bosch in het Reinier van Arkel gesticht. Bron: Louvre

Oprichting Reinier van Arkel

Het zinnelooshuis werd opgericht na de dood van de oprichter, Reinier van Arkel, in 1439. Hij had in zijn testament laten vastleggen dat er een speciaal huis voor zinnelozen in ’s-Hertogenbosch moest komen. De huidige instelling draagt nog steeds zijn naam.

Na de oprichting werden vijf cellen gebouwd in het huis, dat aan het Hinthamereinde stond. De huidige GGZ-instelling staat nog altijd op deze plek. De bouw werd uitgevoerd onder toeziend oog van Reinier zijn broers, Henrik en Everard van Arkel. Het gebouw was gemaakt van steen. Dit was waarschijnlijk om te voorkomen dat zinnelozen ontsnapten. In die tijd konden patiënten soms wegglippen door een gat te graven in lemen muren. De bouw begon in 1439 en was klaar rond 1442. Met de voltooiing van dit gesticht was de eerste vorm van institutionele geestelijke gezondheidszorg in de Noordelijke Nederlanden een feit. In het huidige België bestonden al wel oudere huizen in steden als Gent, Brugge en Geel.

Oude kaart waar het Reinier van Arkel gesticht op staatDetail uit de kaart van ’s-Hertogenbosch door Jacob van Deventer (1545). Links de Sint-Jan; daarboven van links naar rechts de Hinthamerstraat, die op het eind afbuigt naar het Hinthamereinde. Juist voor deze bocht lag (en ligt) het Reinier van Arkel gesticht. Bron: Koninklijke Bibliotheek van België.

Bronnen over het gesticht

Onderzoekers hebben veel informatie over het huis gevonden in het archief van Reinier van Arkel. Dit archief bevat de rekeningenrol (uit 1445), de rekeningboeken (gestichtsrekeningen) aangevuld met de stichtingsakten uit 1442, 1444 en 1445. De rekeningboeken bevatten alle inkomsten en uitgaven van het huis. Ze geven een goed beeld van de zorg en de omgang met de zinnelozen.

Daarnaast zijn er de Bossche Protocollen. Dit waren juridische registraties van contracten. Voor het gesticht ging het vooral om donaties en verzoeken om opname. Hoewel deze informatie onvolledig is, hebben de Protocollen nieuwe en waardevolle inzichten gegeven. Door de rekeningboeken en de Protocollen te combineren, krijgt men een extra diep beeld van het leven van de bewoners in dit vroege zinnelooshuis.

Het mysterie van de vijf cellen en Sint Dymphna

Het bestaan van precies vijf cellen geeft een aanwijzing over de oorsprong van het gesticht. Dit aantal komt namelijk overeen met de vijf ‘waanzinnigen’ uit het verhaal over de heilige Sint Dymphna.

Dymphna was de beschermheilige van geesteszieken. Ze werd ergens in de zevende eeuw geboren in Ierland. Ze bekeerde zich tot het christendom, maar haar vader bleef heiden. Na de dood van haar moeder probeerde haar vader, die bezeten was door demonen, met Dymphna te trouwen.

Heilige Sint DymphnaEen houten beeld van Sint Dymphna gemaakt door een van de patiënten in het Reinier van Arkel in de negentiende eeuw.

Ze vluchtte naar de stad Geel in België. Daar verrichtte ze wonderen. Haar vader achtervolgde haar en onthoofdde Dymphna voor de ogen van vijf ‘krankzinnigen’. De volgende ochtend kwamen deze vijf mensen weer bij hun verstand.

Het verhaal van Dymphna was de inspiratie voor de zorg in Geel. Pelgrims uit heel Europa kwamen daar genezing zoeken. De pelgrims werden opgevangen in pleeggezinnen in de stad. Geel werd daarmee een van de eerste plekken met gespecialiseerde zorg voor zinnelozen in de middeleeuwen.

De keuze voor een verre heilige

De bronnen noemen het Bossche gesticht vaak het Sint Dymphna Gasthuis. Dit laat zien dat de leiding van het huis wist van de cultus rond Dymphna. Het is goed mogelijk dat Reinier of zijn broers door haar verhaal werden geïnspireerd, wat de keuze voor vijf cellen verklaart.

Hoewel er in ’s-Hertogenbosch wonderlijke genezingen van zinnelozen gebeurd waren bij het Mariabeeld in de Sint-Jan, kozen de leiders van het gesticht voor Dymphna als patrones. Het huis kreeg een religieuze naam, wat gebruikelijk was voor hospitalen. Maar het gesticht had geen kapel en werd niet bestuurd door geestelijken, in tegenstelling tot andere gasthuizen.

De keuze voor Dymphna en de vijf cellen wijzen op een bewuste beslissing. Het is zeer waarschijnlijk dat de oprichters wisten van de omgang met zinnelozen in Geel en zich daardoor lieten inspireren.

Geen pleegzorg, wel een gasthuis

Het Bossche huis sloot zich waarschijnlijk aan bij het traditionele gasthuismodel dat in de vijftiende eeuw populair was. Een gasthuis was een liefdadige instelling, geïnspireerd door naastenliefde (caritas), die onderdak en zorg bood aan specifieke groepen mensen in nood. De zorg leek op een huiselijke opvang met een kleine groep bewoners.

De rekeningen van het huis laten wel zien dat de buren hielpen. Zij kregen vergoedingen voor zaken als het vangen van ontsnapte patiënten of het innen van geld bij familieleden.

Er zijn echter geen uitgaven gevonden voor directe verzorging door de buren van de bewoners van het gesticht. Dit wijst erop dat het Geelse model van pleegzorg niet werd overgenomen in ’s-Hertogenbosch, aangezien de buren wel voor andere hulp werden betaald.

Overvolle cellen: capaciteitsproblemen

De vraag naar opvang was groot. Het aantal opgenomen bewoners nam snel toe en overtrof de capaciteit van de vijf cellen. In 1474 waren er al negen zinnelozen. De leiding van het huis klaagde over de overbevolking en slechte omstandigheden. Het stadsbestuur besloot dat er maximaal zes patiënten mochten zijn, maar dit werd niet nageleefd. Rond 1500/01 liep het aantal geschatte bewoners op tot wel dertig.

Grafiek patiënten Reinier van Arkel
Schatting van aantal patiënten tussen 1439 en 1501. In figuur 1 geeft de rode lijn de maximale capaciteit weer: vijf cellen, het aantal dat het huis oorspronkelijk had. Deze grens werd al snel overschreden.

Hoeveel mensen er door de tijd heen precies in het gesticht zaten is moeilijk te zeggen. Dit komt omdat de gegevens niet volledig zijn. Mensen konden herstellen en het huis verlaten maar bijvoorbeeld ook overlijden. Dit werd niet altijd geregistreerd.

Toch laten de uitgaven voor spullen globaal de drukte zien. Zo werden er in 1497/98 25 paar trippen (houten overschoenen) gekocht. Dat zal ongeveer gelijk zijn geweest aan het aantal bewoners. Ook de inkoop van grotere hoeveelheden bestek, zoals 13 schotels en 18 lepels in 1492/93, wijst op grotere aantallen mensen.

Houten tripEen middeleeuwse trip bestaat uit een houten zool waarop een leren band (met soms een sluiting) bevestigd is. Onder de leren band steekt de gebruiker zijn voet met schoen.

Herstel en terugkeer

Hoewel opname in principe voor het leven was, zoals bijvoorbeeld bij de patiënt Wolterius – die met ‘minder verstand’ werd omschreven en wiens opname levenslang moest zijn – werden gevallen van herstel soms wel geregistreerd. Mensen konden het huis verlaten.

Dit gebeurde bijvoorbeeld bij Hadewig ‘in den Cluyt’. Later stond in de rekeningen dat ze ‘een tijdje in het zinnelooshuis had gezeten’, wat betekent dat ze hersteld of opgehaald was.

Bij Jan Scaelmeker is het bewijs voor herstel nog duidelijker. In de rekeningen staat: ‘Jan Scaelmeker, die welke weder uut den voirs. huse ginck’ (weer uit het huis vertrok). Dit kan wijzen op herhaaldelijk ontslag of terugval. Deze bewijzen suggereren dat er veel beweging in en uit het huis was.

Een gezamenlijke kamer voor rustige zielen

Er werden geen cellen bijgebouwd. In plaats daarvan werd er in 1485/86 een gemeenschappelijke ruimte gemaakt. Het is aannemelijk dat deze ruimte, de camer gemest, werd gebruikt voor de rustigere zinnelozen. Dit waren patiënten die soms werden ingedeeld als dwaes. Dit betekende dat ze een vorm van simpelheid of zwakzinnigheid hadden, maar niet agressief of manisch waren.

Een voorbeeld hiervan is Dirck uit Liempde. Hij was eerder ‘eenvoudig’ dan agressief. Hij werd opgenomen vanwege zijn ‘eenvoud/zwakzinnigheid’. Dirck had een eigen kamer (camer). Dit was opmerkelijk, aangezien de gemeenschappelijke ruimte juist bedoeld leek voor de meer handelbare patiënten.

Oude tekst waarin de kamer van Dirck vermeld wordtVermelding van de kamer van Dirck in het Archief Zinnelooshuis Reinier van Arkel vóór 1810.

De vrijheid van de ‘simpele’ zinneloze

Dirck had tijdens zijn verblijf enige bewegingsvrijheid. Hij werd bezocht door vrienden en ging zelfs naar de kermis. Er waren geen kosten voor begeleiding bij deze uitstapjes. Dit bewijst dat zijn waanzin geen strenge maatregelen vereiste. Zinneloze Stijn Scellens mocht ook de straat op om boter te verkopen. Dit laat zien dat de rustigere patiënten niet streng bewaakt hoefden te worden.

Conclusie

Dankzij de archiefbronnen kunnen we dus een beeld krijgen van het Bossche zinnelooshuis in de middeleeuwen. De meeste bewoners die geen eigen kamer konden krijgen, werden waarschijnlijk in een gemeenschappelijke ruimte opgevangen. De gevallen van remissie bewijzen dat mensen het gesticht konden verlaten en eventueel weer terugkeren.

De verzorging in het Reinier van Arkel was waarschijnlijk gebaseerd op de omgang met patiënten in gasthuizen. Er is geen bewijs gevonden dat de Geelse pleegzorg door buren werd overgenomen. De cultus van Sint Dymphna was wel de belangrijkste inspiratiebron voor de stichting van het huis en de keuze voor de vijf cellen.

Dit is een samenvatting van een artikel dat eerder verscheen in ons wetenschappelijk tijdschrift Silva. Wil je meer lezen over Sint Dymphna’s Bossche zinnelozen? Lees het volledige artikel van Robin Koch in Silva (2025, nummer 2, oktober).

Robin Koch is mediëvist en archiefmedewerker bij Erfgoed ’s-Hertogenbosch. Hij studeerde middeleeuwse geschiedenis aan de Universiteit Leiden en behaalde daar zijn bachelor cum laude met een scriptie over de legitimatie van Hongaarse dynastieën, gepubliceerd in ‘Leidschrift’. Zijn onderzoeksmaster aan de Universiteit Utrecht rondde hij eveneens cum laude af binnen de track Middeleeuwse geschiedenis. Koch richt zich op disability- en mental-studies en doet onderzoek naar middeleeuwse waanzin, wat resulteerde in diverse publicaties.

Meer over

uitgelicht

Ook interessant

Het Geefhuis

bouwwerken
Het Geefhuis

De Tafel van de Heilige Geest zorgde in de middeleeuwen voor arme mensen in ’s-Hertogenbosch.